advertentie google

Nicky en Thijs zijn elkaars beste vrienden en altijd zijn ze samen. Het is altijd leuk, nou ja… altijd…? Niet altijd hoor, soms hebben ze een beetje ruzie.  Ze maken ruzie om wie de brandweerauto mag, ruzie om de toren die per ongeluk omvalt… ja ze maken ruzie over hele domme dingetjes. Ook vandaag is het weer zover. 

De jongens zijn leuk aan het spelen wanneer Nicky ineens de takelwagen pakt, de mooie stoere takelwagen van Thijs. Dat mag niet, zegt Thijs, de takelwagen doet niet mee, laat die maar in het hoekje staan. Nu doet de takelwagen wel mee, zegt Thijs. Ik vind het een toffe wagen, ik mag er toch wel mee spelen? Hij kijkt zo lief als hij maar kan, maar het helpt niks, Thijs is boos. Nee… zegt hij kordaat, de takelwagen doet niet mee, anders ga je maar naar huis. Nicky kijkt geschrokken, dat wil hij niet, maar hij wil ook graag met de takelwagen spelen. Hij probeert het nog een keer en hij vraagt poeslief: Thijs, mag de takelwagen ook mee doen? Nee.. zegt Thijs boos. 

Nicky zet de takelwagen terug.. netjes in het hoekje. Maar hij blijft er steeds naar kijken. Hij kijkt voorzichtig naarThijs… Thijs ziet niks. Dan kruipt hij naar de takelwagen en drukt op het knopje. Brrrrrr.. doet de auto en de takel begint te takelen. Thijs springt boos overeind en roept, stop maar.. ga nu maar naar huis. Jij kunt niet luisteren. Verschrikt springt Nicky omhoog, daar staat hij, hij kijkt verdrietig. Maar…. maar… het is maar een auto?, zegt hij. Niks mee te maken, zegt Thijs, naar huis en kom nooit meer terug.
Daar gaat hij… kleine Nicky, hij loopt met traantjes in zijn ogen naar zijn eigen huis. Hij mag nooit meer bij Thijs komen en nooit meer is heel.. heel.. heel lang, dat weet Nicky wel.

Thijs zit helemaal alleen, tussen zijn mooie auto’s, maar alleen spelen is niks aan. Wat moet hij nu doen? Zal hij toch Nickymaar weer vragen? Hij vraagt het aan mama. Maar mama heeft alles gehoord en ze zegt: Dat gaat niet Thijs, je hebt tegen Nicky gezegd dat hij nooit terug mag komen. Jawel hoor, moppert Nicky. Bel jij hem even?. Nee nee, zegt mama, niks bellen, als jij hem weer wilt vragen om te spelen dan ga je maar naar hem toe en zegt netjes sorry. Thijs wordt rood. Sorry zeggen? Dat nooit. 

Maar het duurt lang zonder Nicky, al drie dagen hebben ze niet meer gespeeld. Dat kan zo niet langer, Thijs weet het zelf ook wel. Hij denkt diep na en daar gaat hij met een rood hoofd naar het huis van Nicky. Hij belt aan en Nicky doet de deur open; Wat moet je, zegt hij. Wil je met me spelen, vraagt Thijs. Dat kan niet, zegt Nicky, ik mag toch nooit meer bij jou komen? Je hebt het zelf gezegd. Ja.. zegt Thijs, dat was heel dom van mij, sorry. Nou goed dan zegt Nicky dan kom ik wel weer spelen, maar op één voorwaarde. Wat dan? Zegt Thijs. Als ik ook met de kraanwagen mag. Dat moet dan maar, zegt Thijs. Als echte vrienden lopen ze weer naar het huis van Thijs, gelukkig heeft Thijs sorry gezegd en gelukkig heeft Nicky het hem vergeven.

En Thijs heeft een goede les geleerd, want mama heeft hem ook verteld dat een kindje van de Here Jezus goed moet opletten wat hij of zij zegt. Soms worden we boos en zeggen we gemene dingen, dat is niet goed, dat doet pijn en dat weet Thijs nu ook wel, hij had Nicky pijn gedaan, maar gelukkig is het weer goed gekomen, dat kan ook, je kunt het ook weer goedmaken, maar zonder voorwaarde. Nicky wilde het Thijs alleen maar vergeven als hij weer met de kraanwagen mocht spelen, dat is ook niet helemaal goed. Je moet altijd vergeven. De Here Jezus zegt: Tot 7 maal 70 maal en dat is echt heel veel.