advertentie google

God heeft alle dieren nu klaar. Hij heeft dieren gemaakt voor in de lucht, in het water en op het land. En nu gaat de Here God beginnen aan iets heel speciaals: Hij wil mensen maken, die op Hem lijken. En dat doet God met een speciaal plan. Iemand moet namelijk de baas zijn over alle dieren en goed voor ze zorgen. En God heeft bedacht dat Hij daarvoor mensen gaat maken.
Om goed de baas te zijn, moeten de mensen wel op God lijken. Dan kunnen ze immers ontdekken wat de dieren nodig hebben en zorgen dat ze dat krijgen.
En God maakte de mensen zo, dat ze baby’tjes konden krijgen, net zoals de dieren jonkies konden krijgen. Want er moesten een heleboel mensen komen en die moesten gaan wonen op de hele aarde, niet alleen op één plekje.
Toen de Here God de eerste twee mensen klaar had, een man en een vrouw, zei Hij tegen ze: ‘Jullie moeten een pappa en een mamma worden, dus jullie moeten kindjes krijgen. En als ze groot zijn moeten die kindjes ook weer kindjes krijgen en die ook weer, net zo lang tot er overal op aarde mensen wonen. Want jullie moeten de baas zijn over de aarde. Over de vissen in de zee en de vogels in de lucht en ja, ook over alle dieren op het land. Daar zijn jullie de baas over en jullie moeten goed voor ze zorgen.’
Nou, jij hebt misschien ook wel een dier, waar jij voor mag zorgen, een hond, misschien of een poes of konijn. Dan moet je zorgen voor het eten, maar als ze gepoept hebben, moet je dat ook opruimen: de kattenbak schoonmaken of het konijnenhok. En jij hoeft gelukkig niet voor alle dieren te zorgen, maar de eerste man en vrouw wel. Die waren de baas over de hele wereld.
De Here God had de mensen ook verteld wat ze mochten eten: alles wat groeide, waar zaadjes in kwamen, mochten de mensen eten en ook de vruchten van alle bomen, waarvan de zaadjes in de vruchten zitten. Nou zeg, dat was veel: de mensen mochten alle graansoorten eten, tarwe en rogge en rijst. Daar mochten ze brood van bakken of koekjes, wat ze ook maar bedachten. En groentes mochten ze ook eten: boontjes en bloemkool, worteltjes en uien en komkommer en tomaten en ja, ook spruitjes. Ze mochten appels eten en peren en ananas en kersen en kiwi’s en mango’s en van die grote watermeloenen als ze dorst hadden. Wat ze maar wilden, mochten ze pakken en ervan genieten. Ze werden er ook helemaal niet dik van, want de Here God had allemaal gezonde dingen om te eten gemaakt.
Er waren ook dingen, die ze niet mochten eten: groene planten en bladeren, daar moesten ze van afblijven, want die had de Here God juist gemaakt voor de dieren. Die moeten ja ook eten om te leven en die mochten dat allemaal opeten.
Nou, dat vonden de eerste man en de eerste vrouw natuurlijk helemaal niet erg. Ze vonden de dieren geweldig en gunden ze van harte alles wat God voor de dieren gemaakt had.
De volgende keer vertel ik hoe de Here God de eerste twee mensen precies gemaakt heeft.