advertentie google

De Here God had de aarde gemaakt en die was echt heel mooi geworden. Maar de Here God maakt ook een speciale tuin. Die was zo prachtig, je keek je ogen uit. Geweldige bomen met heerlijke vruchten en schitterende bloemen. En de eerste mens, die de Here God gemaakt had, bracht Hij in die tuin. Nou je snapt, dat Adam, want zo heet de eerste man, wel even stond te kijken. Hij was natuurlijk niet als klein kindje geboren, maar stond plotseling als volwassen man in een geweldig mooie tuin. Samen met de Here God, die Adam vertelde, dat hij van alle bomen mocht de vruchten mocht plukken en opeten, zoveel hij wilde. Alleen van één boom, die je leerde wat goed is en wat  kwaad is, daar mocht Adam niet van eten. Als hij dat wel deed zou hij doodgaan. Nou, er bleef genoeg over om te eten: appels, peren, druiven, kersen, bananen en kiwi’s: Adam kon ze zo van de boom plukken.
De Here God had ook werk te doen voor Adam. God maakte alle dieren en ook alle vogels en stuurde ze naar Adam toe. Die moest zeggen hoe ze moesten heten. Dat was een leuk karweitje! Een groot, dik, grijs dier noemde Adam olifant. Hij moest een beetje lachen om de grappige slurf van de olifant en het kleine staartje. Er kwam een groot, wollig dier langs en die noemde Adam beer. Zo gaf hij katten een naam, ook de hele grote, zoals leeuwen en tijgers en paarden, koeien en schapen. Hij noemde een glad, slank dier met zigzagstrepen slang en een klein zwart diertje heette in het vervolg mol.
Een heel grote vogel, die wel hard kan lopen, maar niet kan vliegen noemde Adam struisvogel en een heel kleintje, dat juist heel snel met zijn vleugeltjes kon wapperen noemde hij kolibrie. Alle dieren en alle vogels kwamen bij Adam langs. Allemaal met zijn tweetjes: een mannetje en een vrouwtje. En ze pasten precies bij elkaar.
Toch begon Adam zich een beetje eenzaam te voelen: alle dieren hadden een kameraadje, dat bij ze paste, dat op ze leek, alleen hij had dat niet.
De Here God bracht Adam toen in een heel diepe slaap en pakte een rib uit Adams lichaam. En het gat in Adams lijf maakte God weer dicht. Van die ene rib, maakte de Here God een heel mens. Maar nu geen man, zoals Adam, maar een vrouw, die precies bij Adam paste.
Toen maakte God Adam wakker en bracht de vrouw naar Adam toe. Zijn ogen werden groot en hij begon te juichen, zo blij was hij. Adam riep: ‘Joepie! Eindelijk een mens, net als ik! Ze is mijn eigen vlees en bloed, want ze is gemaakt uit een deel van mij. Ik noem haar ‘vrouw’.’
Adam en zijn vrouw liepen de hele dag in hun blootje. Dat gaf niks, want ze hadden het helemaal niet koud en ze schaamden zich ook niet. Dat kwam omdat ze helemaal gericht waren op de Here God en niet op zichzelf.
Het is de bedoeling van God, dat een man niet bij zijn vader en moeder blijft wonen, maar dat hij een vrouw krijgt en samen met haar gaat wonen, zodat zij kindertjes kunnen krijgen en zo een gezin vormen.