advertentie google

Dit stuk vond ik op het internet in een iets andere versie, ik heb zelf de verteller stukken toegevoegd en wat dingen aangepast en erbij bedacht. Maar oorspronkelijk is het niet mijn eigen idee, maar naar aanleiding van een verhaal van Paul Biegel. 

 1  Keizer op zijn troon

  2  1e lakei
  3  2e lakei
  4  3e lakei
  5  lijfwacht
  6  de oude keukenmeid
  7  hofdame
  8  kamerdienaar
  9  poetsknecht
10 zwerver

 
hovelingen slaan we over

De Koning op zijn troon



Verteller :Nu het kerstfeest dichterbij kwam wilde Koning Bromtol wel weer wat leven in de brouwerij. De koning was een lastige koning, hij was driftig en schreeuwerig, over nukkig maar niet te spreken. Vorig jaar was het helemaal mis, toen moest het kerstfeest al in oktober plaatsvinden, met boom…. en dat moest iets bijzonders zijn. De koning schreeuwde en schreeuwde, de lakeien zagen geen andere mogelijkheid dan de danseres van het paleis op te tuigen. De hele avond stond het arme kind, versierd met ballen en slingers op één been. Maar dit jaar zou het anders gaan, want gelukkig gebeurde er niets in oktober, ook niets in november….. Pas op de avond van de vierentwintigste december beukte de koning met zijn zware gouden kroon op de dikke houten tafel in zijn werkkamer en riep:

Koning : Vertel me het kerstverhaal… nu!

Eerste Lakei :  (komt aangerend): Maar koning dat kent u toch al?

Koning : Ja dat ken ik al, maar ik wil het horen nu!

Tweede Lakei : (knielt neer) Nu? Pardon Koning, maar welk kerstverhaal bedoelt u eigenlijk?

Koning : Welk kerstverhaal? Ben je gek geworden, ik wil HET Kerstverhaal, je weet wel….. Het enige echte

Derde Lakei : (staat helemaal te bibberen) Wel- wel- welke dan?

Koning : (Smijt zijn kroon door de ruimte)  Ga zoeken… nu!

Eerste/Tweede en derde Lakei rennen met kleine pasjes naar de kroon, pakken het en rennen met een deftig drafje terug en brengen het naar de koning.

Eerste Lakei : Nou nou, hier is het koning
Tweede Lakei : Zo zo dat was niet mis
Derde Lakei : poe poe ik ik ga er ge ge woon van van stot- stotteren

Koning : Ik bedoel niet de kroon, die kan ik zelf wel zoeken, zoek het kerstverhaal, vort… voortmaken….

Verteller :Terwijl de koning nog boos zit te schreeuwen en de muren van het paleis trillen gaan de lakeien op zoek, ze rennen door de kamers van het paleis op zoek naar boeken met daarin iets wat lijkt op het kerstverhaal. In de grote bibliotheek van het paleis doorzoeken ze alle stellingen en kasten, ze bekijken alle boeken stuk voor stuk tot ze gevonden hebben wat ze zoeken: althans dat denken ze….

(Eerste Lakei komt weer binnenlopen en heeft een stoeltje meegenomen hij zet het neer vlakbij de koning, gaat zitten, legt het boek voorzichtig op zijn knieën en kijkt vervolgens afwachtend naar de koning)

Koning : Stop met die flauwekul en begin te lezen…..

Eerste Lakei : Het was een kille koude nacht, in het donkere bos klonk het geluid van wilde dieren, de sneeuw viel met dikke vlokken naar beneden, het vroor dat het kraakte. In de verte was te zien hoe een hijgend rendier een grote slee trok met daarop een dikke kerstman….en naarmate…..

Koning : Onzin…. (schreeuwt hij uit) Ik wil geen kerstman, ik wil HET kerstverhaal…. Ga in de hoek, wegwezen, ik wil je voorlopig niet meer zien.

(Lakei legt zijn boek neer op de grond en loopt statig naar de hoek en gaat daar gedwee staan)

(Tweede Lakei klopt op de deur en loopt naar binnen en gaat op het krukje zitten, opent zijn boek en gaat lezen)

Tweede Lakei : In een bos, hier ver vandaan, stond een klein en mager boompje, zijn blaadjes waren groen als gras en toen de herfst gekomen was kleurden ze rood, ze vielen af…. waardoor het boompje treurig dacht, ik wou dat ik de naalden had zoals die grote bomen die straks als kerstboom staan…. zo mooi versierd, daar kan ik slechts van dro……

Koning : Nonsens…  Ik wil geen kerstboom… wegwezen, in die hoek  (hij wijst een hoek aan)

(Tweede Lakei loopt naar een andere hoek)

Derde Lakei : (komt angstig binnenlopen met een klein boekje in handen en gaat vlak voor de koning staan) Lang, heel lang geleden was er eens een boe- boe- boerenzoon met een grote boe- boe- boerenstal met een hele- hele- heleboel dieren, maar toen het december werd bedacht de boe- boe- boerenzoon zich ineens dat hij nog geen kerst- kerst- kerst…..

Koning : Aha…. Die boerenzoon heeft ook geen kerstverhaal toch? Net als ik,  dit begint erop te lijken, ga door….

Derde Lakei : toen bedacht de boe- boe- boerenzoon zich ineens dat hij nog geen kerst- kerst-  kerstgans had.

Koning : (ontploft van woede) Maak dat je wegkomt met je kerstgans… Ik wil geen gans maar het kerstverhaal, zoek ook maar een hoek. Ik vraag mijn lijfwacht wel!

(derde Lakei gaat in een hoek staan)

Koning : (buldert door het paleis) Felix, hier komen…. Nu!

Lijfwacht : Hier ben ik majesteit (hij salueert)

Koning : Ik wil het kerstverhaal, ga het zoeken…. Onmiddellijk!

Lijfwacht :  Natuurlijk Koning, ik ga meteen. Hij salueert weer en vertrekt.

Verteller :De lijfwacht van de koning doet wat hem opgedragen is, hij kijkt niet alleen in de bibliotheek en in de kamers waar boeken staan, nee hij kijkt echt in alle kamers, zelfs in de vertrekken en slaapverblijven van het personeel.
In de kamers van de hofdames, van de poetsknechten, van de dienstmeiden, van de kamerdienaren, van de koks en zelfs de kamers van de stalmeesters, werden doorzocht. Alle boeken waar een kerstverhaal in stond, werden door hem verzameld en naar de koning gebracht.

(lijfwacht komt binnenlopen met een stapel boeken)

Koning : Waar gaan die boeken over? (snauwt de koning)

Lijfwacht : Allemaal kerstverhalen. (hij houdt het bovenste boek omhoog)
Deze gaat over een kerstpudding

(de koning rukt het boek uit zijn handen en smijt het weg)

Deze gaat over een kerstkrans (de lijfwacht houdt weer een boek omhoog)
(de koning smijt het weg)


Oh maar koning ik heb ook nog een boek over een kerstroos, kerstman, kerstengel, kerst…..

Koning : Rommel, allemaal rommel, ik wil het echte kerstverhaal... ga het onmiddellijk zoeken. Ik wens het vanavond te horen!

Lijfwacht : Vanavond Koning, vanavond…. (hij salueert, draait zich om en loopt weg, in de deuropening botst hij tegen de oude keukenmeid op en roept boos:
Breng de koning eens soep, de koning had allang moeten eten.

Koning : Soep, ik wil helemaal geen soep… nonsens, ik wil het kerstverhaal, het echte kerstverhaal, kom maar hier en vertel het me….

Keukenmeid : (vet schort voor) Kerstverhaal? Nou nou, bedoelt u Jozef en Maria en de ezel in de stal? Het verhaal van het kindje in de kribbe en die herders er omheen?

Koning : Aha, dat bedoel ik, vertel verder….

Keukenmeid : maar dat kent u toch al?

Koning : Zitten, op dat stoeltje en vertel….

Keukenmeid : Nou nou, ze moesten naar Bethlehem, (ze beeft) ze moesten slapen, maar er was geen plek, het was vol, toen kregen ze een plekje in de stal, het kindje kwam en even later lag het in de kribbe en kwamen de herders…

Koning : En toen?

Keukenmeid : Toen niks, dat was het…

Koning : Is dat het hele verhaal? Dat lijkt nergens naar. (schreeuwt) Ga jij ook maar in de hoek staan, wegwezen…. Jij kunt ook niks….
Waar is de hofdame….

Hofdame : (de hofdame kijkt voorzichtig om het hoekje van de deur en loopt schoorvoetend naar binnen). (met haar prachtige stem vertelt ze)
Het is het verhaal over Maria en Jozef. Maria had een prachtige jurk met een mooie blauwe sjerp, ze droeg de mooiste kleren die er waren en Jozef hij was zo’n mooie man en zo lief en ze reisden met een prachtig bruine ezel naar Bethlehem en zelfs daar keek iedereen naar hen. Er klonken engelenkoren om te vertellen dat het kindje geboren was en het kindje dat lachte zo lief, zo lief, het was het mooiste kind dat de mensen ooit gezien hadden.

Koning : En toen?

Hofdame : Toen niks, dat was het, vond u het niet mooi?

Koning : Nee, ik wil Het Kerstverhaal

Hofdame : Dat was het kerstverhaal

Koning : Onzin wegwezen, ga jij maar bij de muur staan

(hofdame loopt naar een muur)

Verteller : Het was te gek om los te lopen, de koning wilde het kerstverhaal horen, maar wie er ook kwam het was niet goed genoeg, hij wilde het horen zoals het hemzelf uitkwam. Nu de Lakeien, de keukenmeid, lijfwacht en hofdame in de hoeken en bij de muur stonden bleven er niet veel mensen over. De kamerdienaar deed nog een goede poging, door te vertellen hoeveel moeite het kostte om een plekje te vinden in Bethlehem, hoe alle herbergen vol waren en hoe Jozef zo zijn best deed, hij vertelde van de kou in de stal, en hoe de herders huilden van ontroering vanwege het mooie kind. Maar ook dat was niet voldoende. Een groepje hovelingen kwam nog langs met een echte os en ezel en voerden een leuk toneelstuk op, maar ook dat was  voor de koning niet voldoende en zodra hij vroeg: En toen? Kwam er geen antwoord, ze wisten niks meer te vertellen het verhaal was tenslotte uit, maar daar nam de koning geen genoegen mee hij stuurde ook hen weg, daar stonden ze op een rijtje tegen de muur. De enige die nog iets zou kunnen betekenen was de poetsknecht….

Koning : Man wat ben jij vies.

Poetsknecht : Sorry Koning ik ben poetsknecht, ik poets de hele dag…

Koning : Vooruit dan maar, excuses aanvaard. Ik wil dat jij mij het hele kerstverhaal vertelt.

Poetsknecht : Nou koning ik zal het u vertellen, moment ik pak even mijn boekje erbij. Het was donker, de herders zaten in de velden te schelden op hun schapen die steeds wegliepen en verdwaalden en in het donker verscheen een licht aan de hemel, er klonk gezang het waren engelen en ze hoorde woorden, ere zij God en ze gingen vervolgens op zoek naar het kindje Jezus dat geboren was in een stal in Bethlehem.

Koning : En toen?

Poetsknecht : Toen niks, helemaal niks.

Koning : Bij de muur, wegwezen…. (koning kijkt om zich heen, er is niemand meer te bekennen, wie moet nu nog het kerstverhaal brengen? Er klinken zware voetstappen in de gang, een zwerver loopt naar binnen)

Zwerver : Wat is hier aan de hand, geen mens bij de poort, niemand in de keuken, geen dienstmeiden te zien, niemand in de gang, niemand bij de achterdeur, niemand bij de voordeur, dus ik dacht ik loop maar door…
ik wilde u iets vragen…

Koning : Jij hoort hier niet, maak dat je wegkomt…..

Zwerfster : Maar… ik zoek onderdak en een hapje eten, ik ruik soep, heerlijke soep…

Koning : Je krijgt geen soep, verdwijn uit mijn ogen, nu!
(zwerver draait zich om en wil weglopen maar de koning bedenkt zich)
Ho wacht… kom terug vertel me het kerstverhaal

Zwerver : (is doodstil en zucht eens diep) Pffft Wilt u dat ik u het kerstverhaal vertel? Ik heb zoveel meegemaakt, ik zwerf al jaren door de straten, ik zag vrienden sterven, ik moest slapen onder bruggen, in de bossen en de velden, op bankjes in het park, ik ben overvallen en bestolen, ik ben bespuugd en geslagen, wilt u van mij het kerstverhaal? Mijn schoenen zijn stuk, mijn jas is versleten, moet ik u vertellen van wollen schaapjes en zingende engeltjes? En wat verstaat u onder het kerstverhaal? U bent een machtig koning, u zit op uw troon, u geeft opdrachten, u schreeuwt en ieder doet wat u zegt. Ik zie het zelf…allemaal onderdanige mensen, ze staan in de hoeken en bij de muren, ze zijn te bang om te bewegen.

Koning : Ik ben koning, dat ben ik niet voor niks, ik regeer dit land en niet alleen het land maar ook dit paleis en al mijn onderdanen horen naar mij te luisteren. Vertel me het kerstverhaal, zo niet, donder dan maar weer op.

Zwerver : Maar koning het kerstverhaal, het echte kerstverhaal gaat over de koning der koningen, over de Allerhoogste Koning die van Zijn troon af kwam om mens te worden onder de mensen en om hen te dienen.

Koning : En toen?

Zwerver : En toen? Nou als u het mij vraagt dan zeg ik: Kom van uw troon af machtig koning en wordt mens onder de mensen net als het kind uit het kerstverhaal, de koning der koningen.

(het is even stil, de koning kijkt geschrokken)
Koning : (Gooit woedend zijn kroon door de ruimte, de onderdanen kijken verschrikt om.)  Brutale hond, maak dat je wegkomt, hoe durf je zo tegen mij te spreken?

Verteller :De koning schreeuwt moord en brand, hij stapt van zijn troon af, gooit zijn mantel van zijn schouders om beter te kunnen rennen en gaat de zwerver achterna terwijl hij hem probeert te grijpen en te schoppen. Hij is boos, ontzettend boos, hoe durft deze zwerver zijn gezag te ondermijnen? Hoe durft deze zwerver te verwachten dat hij zijn troon zou verlaten om tussen de mensen te leven? Woedend rent hij achter de zwerver aan, door de stille straten, maar de zwerver laat zich niet grijpen, hij rent voor zijn leven, zo hard hij kan en verdwijnt al snel uit het zicht.
Het is koud, de koning bibbert, terwijl hij rent schreeuwt hij om zijn lijfwacht en zijn lakijen, hij roept om hulp van zijn keukenpersoneel, hij wil zelfs dat de poetsknecht zijn jas komt brengen, maar niemand komt, niemand luistert nog naar hem, niemand helpt….. de koning moet het helemaal alleen doen…. Hij bibbert van de kou, plotseling struikelt hij en valt op de grond, hij is gestruikeld over de vieze stinkende mantel van de zwerver….

Koning : (ligt op de grond op de vieze jas of bij de vieze jas)
Hier lig ik dan, ik ben gevallen, gevallen van mijn hoge troon, gevallen op de grond en door iedereen verlaten…. Ik ga maar weer terug naar mijn paleis…..
(hij staat op en slaat de vieze jas om zijn schouders en loopt strompelend terug naar het paleis, de zaal weer in waar al het personeel nog staat tegen de muren en in de hoeken.)

Personeel: Draaien zich één voor één om en kijken nieuwsgierig naar de koning die daar binnen is komen lopen in zijn vieze mantel en met gebogen hoofd.

Koning : Het is kerstavond: wie wil met mij hier aan de tafel zitten, wie wil met mij eten en drinken, als jullie plaatsnemen aan de tafel en maaltijd met mij hebben dan zal ik jullie het kerstverhaal vertellen. Ik dek alvast de tafel….

Verteller :Vanuit de hoeken van de zaal kwamen ze aangelopen, ze snelden toe en namen plaats aan de tafel van hun koning en voor het eerst sinds jaren voelden zij zich verbonden met hem en hij vertelde hen het verhaal van de Koning der Koningen, geboren in een stal in Bethlehem, gekomen om te redden, om nederig te zijn, om de mensen te nodigen voor de maaltijd die op een dag bij Hem in Zijn Koninkrijk plaats zal vinden. Ze aten en ze dronken, ze namen deel aan de maaltijd van hun koning en vierden voor het eerst sinds jaren echt kerstfeest!




Toelichting
Paul Biegel (Bussum, 25 maart 1925 - Laren, 21 oktober 2006) was een Nederlands schrijver. Hoewel hijzelf vond dat hij niet altijd specifiek voor kinderen schreef, wordt zijn werk gerekend tot de jeugdliteratuur. De meeste van zijn boeken bevatten sprookjesachtige elementen, en gaan over de strijd tussen goed en kwaad. In diverse van zijn boeken zijn verwijzingen naar zijn geboorteplaats Bussum te vinden en ook in de beschrijvingen kan men vele sfeertekeningen uit deze plaats vinden.

Paul Biegel vertaalde veel werken uit het Frans en het Engels, en ook vertaalde en bewerkte hij verhalen uit de klassieke oudheid en de middeleeuwen, zoals de zwerftochten van Aeneas, de sprookjes van de Gebroeders Grimm en Reinaert de Vos. Zijn bekendste werk was de serie boeken over De kleine kapitein.

Paul Biegel overleed op 81-jarige leeftijd in het Rosa Spier Huis in Laren.
 
Bron
"Een engel zonder vleugels. Kerstverhalen" samengesteld door Els de Jong-van Gurp. La Rivière & Voorhoeve, Kampen, 1994. ISBN: 90-384-0746-7