advertentie google

Dit stuk heb ik wat laat nog in elkaar gezet, we gaan dit zelf opnemen en afspelen. Mensen kunnen het zelf aanpassen naar wens en kijken of het haalbaar is. Maar het is aangepast aan deze tijd waarin veel vluchtelingen komen en de reacties extreem kunnen zijn, maar de boodschap zeker in deze tijd van kerst, saamhorigheid, naastenliefde zou moeten bevatten.
Ik was overigens bezig het stuk van Elly en Rikkert aan te passen (Glitter) maar omdat dit een musical is (overigens wel heel leuk) heb ik zelf een stuk in elkaar gezet, die wel overeenkomsten zal hebben. Mensen kunnen dus ook kiezen voor het stuk van Elly en Rikkert die beter in de zaal speelbaar zou zijn, die van mij zal daar op aangepast moeten worden om het ter plekke te kunnen spelen.

Ik hoop dat het toch bruikbaar is, misschien kan ik het nog eens aanpassen tot een verhaal of poppenkaststuk, maar op dit moment ontbreekt het me aan tijd.

Voor dit stuk zijn een man/collectant nodig
4 kinderen van de beide gezinnen
vader en moeder Gierig
vader en moeder Gul
Zwerver
2 vluchtelingen
Jongens of meisjes en mannen  of vrouwen kan natuurlijk nog aangepast worden.

Een warm welkom in een kille tijd!
 
Verteller:  Op een ver verlaten strand spoelt het bootje aan van Achmed en Zaraah, ze zijn vermoeid van het roeien, vermoeid vanwege de lange reis, vermoeid vanwege de vele slapeloze nachten. Het was eng op zee, de golven waren soms hoog, de nachten donker en er was weinig te eten en te drinken, maar ze hadden het er voor over, want bij aankomst wacht hen een warm welkom, ze weten het zeker, er is plaats voor hen. Ze zijn goed voorbereid op weg gegaan, ze hebben alvast zo goed en kwaad als het ging een beetje de taal geleerd, dat was niet gemakkelijk, maar nu kunnen ze zich in elk geval verstaanbaar maken, maar ze moeten eerst een plekje vinden om te overnachten.
 
Achmed:   (Achmed en Zaraah stappen uit het bootje op een afgelegen strand) Zaraah, Zaraah, het is gelukt, zie jij wel, dit gammele bootje houdt  prima, bootje best  te doen, we zijn aan wal, we hebben gered, kom zoeken een plek voor nacht.
 
Zaraah:     Achmed, Achmed jij gelijk, wij snel slaapplaats zoeken, ikke ben moe….
 
Achmed:   Nu niet meer praten Zaraah, laat ons gaan.
 
Zaraah:     Zie jij al huis Achmed? Zie je iets?
 
Achmed:   Nee Zaraah, volgens mij hier geen huizen, hier verlaten, we hier alleen.
 
Zaraah:     Maar Achmed, we heb elkaar?
 
Achmed:   Jij heb gelijk Zaraah… Oh wacht … daar, kijk daar, ikke zien gebouw.
 
Zaraah:     Dat lijkt op loods Achmed of lijkt op fabriek of schuur?

Achmed:   Ik weet niet Zaraah, we vanzelf zullen zien. (komen aan bij een gebouw en er komt iemand naar de deur)
 
Man:         Wat zien jullie er uit, waar komen jullie wel ooit vandaan?
 
Achmed:   Wij heb verre reis gemaakt over zee, wij wil slapen
 
Man:         Slapen? Waar? Hier?
 
Achmed:   Ja is goed. Wij akkoord.
 
Man:         Wij akkoord? Dat kan wel zijn, maar wij niet.
 
Zaraah:     Maar meneer ikke moe zijn, laat mij slapen alstublieft, ik verwacht kind.
 
Man:         Ja dat zie ik, ik heb medelijden met u, echt… maar wie gaat nu zo met een bootje over zee deze kant op? Het is onverantwoord, u nam een veel te groot risico. We zitten er maar mooi mee opgescheept.
 
Zaraah:     Maar meneer we moesten wel, over zee varen veiliger dan blijf in ons land.
 
Man:         Toch snap ik het niet, wie doet nu zoiets? Wie gaat nu in zo’n knullig bootje over de zee.
 
Achmed:   Meneer ikke kan niet uitleg, het spijt me we zoeken wel andere plek voor nacht.
 
Man:         Oh ho eens even, dat is niet de bedoeling, natuurlijk mogen jullie hier slapen, voor één nachtje kan het wel, maar daarna moeten jullie weg, jullie staan nergens ingeschreven, jullie zijn bij geen enkele instantie of gemeente bekend, jullie zijn gewoon, heel gewoon, illegaal
 
Achmed:   Maar meneer ikke niet illegaal, Ikke Achmed….
 
Man:         Ja daar zeg je iets, daar kan ik niks mee, jullie moeten je aanmelden bij een gemeente of een instantie dat is de enige manier om te mogen blijven in ons land en dan moet je nog maar afwachten of je asielaanvraag goedgekeurd wordt.
 
Zaraah:     Maar meneer…. Maar…
 
Man:         Niks geen gemaar, kom ik wijs jullie een plek om te slapen. (Zaraah en Achmed en de man willen naar binnengaan, maar een zwerver roept ze nog even wat na)

Zwerver:   Bied je vluchtelingen onderdak? En ik dan? Ik slaap ook op straat? Hé man… eigen volk eerst.

Man:         (iedereen kijkt verschrikt naar de zwerver maar de man zegt) Niet op letten, laat maar praten, hij kan naar de daklozenopvang, daar is plek genoeg. Kom snel naar binnen.

Achmed:   Hier het is koud meneer en oud.
 
Zaraah:     ikke vind niet gezellig.
 
Man:         Wat willen jullie toch…. ga gewoon op de grond liggen en slapen, alles beter dan in een bootje op zee, ja toch?
 
Achmed:   Maar natuurlijk meneer, u heb gelijk. Sorry voor gemopper, u heb gelijk, echt waar.
 
Zaraah:     Maar meneer heb u misschien deken wij kunnen op liggen, grond is te hard.
 
Man:         Tjonge jonge, wat een vragen, wat een gezeur, het is omdat je zwanger bent maar anders gaf ik je helemaal niks.
 
Zaraah:     Sorry meneer, ikke niks meer vragen, het spijt me, ikke houd mij stil.
 
Man:         Nou weet je wat, jullie krijgen van mij een broodje en wat soep en daarna zal ik toch even zoeken of ik een deken heb, maar ik wil geen gezever.
 
Achmed:   Oh dankuwel meneer, dankuwel ik ben u dankbaar. U goed voor ons.
 
Man:         Graag gedaan, graag gedaan. (de man loopt weg om soep en brood te halen)
 
Achmed:   (doet dramatisch tegen Zaraah) Zaraah, vrouw van mij, luister, misschien wij had niet moeten komen, misschien wij dom geweest, misschien wij naïef, misschien wij wordt hier veracht, misschien vervolgd omdat wij in God geloof, misschien verkeerd moment, verkeerde plek, misschien wij moet met bootje ander land opzoek om te wonen.
 
Zaraah:     Ikke weet niet Achmed, ikke weet niet. Waar moeten we heen, wij heb geen geld, bootje was duur, we heb alles gebruikt om hier te komen, ik weet niet Achmed, misschien jij gelijk, misschien… misschien wel.
 
Man:         (man komt binnenlopen) Wat hoor ik nu, willen jullie weer weg naar een ander land? Is dat mijn schuld? Ik wilde jullie niet ontmoedigen, echt niet, maar ik was verrast en geschrokken, ik was zelfs een beetje verbaasd. Maar ik begin eraan te wennen en ik weet zeker dat jullie bij velen welkom zijn, ik zal het jullie bewijzen. Weten jullie wat ik ga doen? Ik ga voor jullie geld inzamelen, dan hebben jullie in elk geval iets, blijven jullie zolang maar hier, ik zorg wel voor jullie. Zo hier is de soep en brood, eet smakelijk, ik ga alvast, ik kom straks terug.
 
Achmed:   Dank dank meneer, duizendmaal dank.
 
Man:         (pakt een grote collectebus en loopt de straat op) Is al goed, is al goed, ik ga snel, tot straks.
 
Achmed en Zaraah: Tot straks.
 
Verteller:  Dankbaar blijven Achmed en Zaraah wachten tot de man terug zal keren van zijn missie om geld in te zamelen voor hen. Ze danken God, want God is met hen, God is groot. Maar ze zijn toch nog een beetje huiverig voor alles wat hun te wachten staat en ze hebben gelijk. De man die eigenlijk dacht dat het wel los zou lopen met de reacties van mensen en die verwachtte dat hij veel geld binnen zou kunnen halen voor Achmed en Zaraah kwam voor verrassingen te staan. De één na de ander deed de deur open en was achterdochtig, of ze hadden geen kleingeld, of ze zeiden: Wij geven al per giro. Allemaal mooi en wel, maar deze collectant gaf niet op, hij belde voor de zoveelste keer weer aan, dit keer bij de familie Gierig. Het is een familie met veel luxe, ze zijn rijk, maar ze doen hun naam eer aan. Als er aangebeld wordt zitten ze met het hele gezin aan tafel, kijk maar even mee:

(het gezin zit rond de tafel: vader, moeder en twee kinderen. Ieder doet iets. Kinderen spelen met hun mobiel of tablet, Vader heeft een krant en moeder een boek. Op tafel staat van alles, het ziet er lekker en goed verzorgd uit.)
 
Pa G.:       Zeg vrouw schenk mij eens een lekker bakje koffie in?
 
Ma G:       Doe maar even zelf schat, ik ben net aan het lezen.
 
Pa G:        (tegen de zoon) schenk jij mij eens iets in…
 
Jannus:     (reageert niet)
 
Pa G.:       (schreeuwt) Schenk mij eens iets in
 
Jannus:     Doe maar even zelf vader, ik ben even aan het chatten.
 
Pa G.:       (Slaat met zijn vuist op tafel) Is er hier niemand die normaal kan doen? Zijn we dan allemaal alleen met onszelf bezig, jullie kijken zelfs niet eens op of om. Ik vind het schandalig.
 
Rianne:     Vader u heeft gelijk, ik vind het ook een schande.
 
Pa G.:       Schenk jij mij dan even koffie in?
 
Rianne:     Ik dacht het niet…..
 
Pa G.:       Dus jij bent geen haar beter, dan doe ik het wel zelf, maar reken er maar niet op dat ik omgekeerd nog iets voor jullie zal doen. Hebben jullie dat begrepen?

Kinderen en moeder kijken verveeld in boek en telefoon en zuchten diep. (ineens gaat de deurbel, de kinderen springen gelijk op en rennen naar de deur)
 
Jannus:     (Kind1 opent de deur) Hallo, wat komt U doen?
 
Man:         Hallo kind, is je vader of moeder thuis? Ik wil ze even iets vragen.
 
Jannus:     Wat wilt u vragen dan?
 
Man:         Ik wil graag weten of ze iets willen geven voor twee arme mensen
 
Rianne:     (komt er ook bij staan) Wat voor arme mensen?
 
Man:         Gewoon arme mensen, mensen zonder geld, mensen die gevlucht zijn voor oorlog en geweld.
 
Rianne:     Oorlog en geweld? Er is hier helemaal geen oorlog.
 
Man:         Nee hier niet, maar in andere landen wel.
 
Rianne:     Dat kan wel zo zijn, maar wat hebben mijn vader en moeder daar mee nodig?
 
Man:         Heel veel, ze kunnen deze mensen helpen, als we delen met elkaar dan is dat toch geweldig?
 
(op de achtergrond klinkt een mannenstem)
 
Pa G.:       Jannus en Rianne, wie is daar?
 
Jannus:     Er staat een kerel aan de deur met een collectebus

Pa G.:       Laat maar even binnenkomen, misschien is hij gezelliger dan jullie.
 
Man:         (loopt naar binnen en staat bij de tafel, hij geeft iedereen een hand en stelt zich voor) Hallo meneer, mevrouw, ik ben Ferdinand de collectant….
 
Pa G.:       Oh ik ben Gierig.

Ma G.:      Ik ook.

Man:         Maar meneer mevrouw, dus u gaat niks geven?
 
Pa G.:       Zo heten wij, Gierig is de naam. Ik ben Gert Gierig en dit is Gerda Gierig.
 
Man:         (Zucht opgelucht) Oh ik dacht al, weer een gezin die niks wil geven.
 
Pa G.:       Geven? Wat geven?
 
Man:         Er zijn twee mensen binnengekomen bij mijn bedrijf, ze zochten een plekje voor de nacht, ze hebben geen eten en drinken, ze zijn met een bootje gekomen, en hopen dat hun dromen uitkomen. Ik wil ze graag helpen, u ook?
 
Ma G.        Niks, daar komt niks van in, ik geef geen cent voor armoedzaaiers, ze hebben het allemaal aan zichzelf te danken.
 
Man:         Maar mevrouw Gierig, deze mensen willen zelf geen oorlog, het overkomt hun, zij kunnen er niks aan doen, het is niet hun schuld.
 
Pa G.        Ik heb geen medelijden met dit soort mensen, ze krijgen geen cent, ga maar naar de buren. Die tokkies van hiernaast, ze hebben niks, geen cent te makken, maar ze heten Gul, het is te proberen, je weet maar nooit….
 
Ma G.:      Zo is dat, nu wegwezen hier.
 
Man:         Sorry hoor, ik ga al, de boodschap is duidelijk, ik probeer het wel bij de buren.
 
Verteller:  Terwijl de collectant richting de buren loopt, gaat bij het gezin Gierig alles door als vanouds, niemand praat tegen elkaar, het is er niet gezellig, het is er ieder voor zich, geen grapje, geen lolletje, geen warm gebaar, geen naastenliefde, niets van dat alles, zij vieren kerst op hun manier zoals ieder jaar. Maar bij de buren gaat het er anders aan toe, het is er gezellig en warm, er staat een eenvoudige maaltijd op tafel, maar dat is genoeg, meer hebben ze niet nodig, ze hebben immers elkaar, de één pakt het drinken, de ander snijdt het brood, en weer een ander geeft een schouderklopje als bedankje voor de goede zorgen, het is een warm en blij gezin. Ze lachen en praten met elkaar en ze zingen samen het hoogste lied: Ere zij God.
 
Pa Gul:     Heeft er iemand zin in een lekker stuk van deze kerststol?
 
Ma Gul:     Ja ik zeker, maar doe mij maar als laatste, als er dan niet genoeg is hebben de anderen in elk geval gehad, dat is voor mij het belangrijkst.
 
Pa Gul:     Dat is lief van je Rina. Je bent een schat van een vrouw, daarom houd ik ook zoveel van je. Liesje wil jij misschien een stuk brood.
 
Liesje:      Graag vader (ze kijkt blij en lacht)
 
Pa Gul       (Snijdt een stuk brood af en geeft het aan Liesje.)
 
Sanne:      Mag ik ook vader.
 
Pa Gul:     Natuurlijk mag jij ook. (hij geeft Sanne een stuk brood) Moeder jij krijgt ook want er blijft voldoende over, er kunnen zelfs nog wel mensen mee-eten.
(hij heeft het nog niet gezegd of de bel gaat)
 
Pa Gul:     (loopt naar de deur) Hallo zeg het maar….
 
Man:         Ik ben Ferdinand, een collectant, ik kom collecteren voor arme mensen maar zo te zien hebben jullie zelf niks, ik loop wel verder.
 
Pa Gul:     Ho eens even, we hebben misschien niet veel, maar wat we hebben delen we graag, kom erin, heeft u zin aan een stukje kerstbrood en misschien een bakje koffie?
 
Man:         Oh graag, ik heb het koud, ik ben wat rillerig van al dat lopen en ik ben teleurgesteld in de mensen om ons heen. Niemand wil iets geven.
 
Ma Gul:     Dat is altijd al zo geweest meneer, dat zal ook vast nooit veranderen, maar wij kunnen vast wel wat geven. Het zal misschien niet veel zijn, maar alle beetjes helpen.
 
Liesje en Sanne Gul roepen: Mogen wij Ferdinand geld uit onze spaarpot geven?
 
Ma Gul:     Natuurlijk mag dat, graag zelfs. (ze kijkt weer naar de collectant) Dus u collecteert voor arme mensen?
 
Man:         Ja inderdaad, ik zal u iets vertellen, het is een heel verhaal. Ineens, zo vanuit het niets stonden twee mensen bij de deur van onze bedrijfsloods. Ze zagen er armoedig en verwilderd uit.
 
Ma Gul:     Waar kwamen ze vandaan dan?
 
Man:         Van overzee, uit een ver land, ze waren gevlucht voor oorlog, ze waren nat en moe en dachten dat ze welkom waren, maar dat viel ze toch een beetje tegen, dat was mijn schuld, maar ik zit met een groot probleem, ze kunnen in mijn loods niet blijven, het is een bedrijf, geen opvangcentrum, het is er te koud, het is er vochtig, nee dat is onmogelijk, ik zie geen oplossing, maar ik wil ze wel graag helpen en bewijzen dat er ook mensen zijn die hun deuren openzetten voor anderen, die delen met velen en genoegen nemen met minder om een ander te helpen.
 
Pa Gul:     Dat is heel bijzonder, waarom haalt u die mensen niet op dan kunnen ze bij ons mee eten, wij hebben nog brood over en ze mogen hier ook gerust even warm worden.
 
(Kinderen komen weer binnen lopen….)
 
Liesje:      Mogen ze ook bij ons slapen, ze mogen wel op mijn slaapkamer, dan logeer ik wel op de slaapkamer van Sanne.
 
Sanne:      Ja leuk dan kunnen we samen kletsen en lachen, wat een goed idee… samen op één kamer.
 
Ma Gul:     Ja en dan tot middernacht klieren en ons wakker houden. Laten we daar nog maar even goed over nadenken, we gaan eerst kijken wat we kunnen betekenen voor hen. (tegen Ferdinand) haalt u die twee mensen op? Dan zet ik alvast extra koffie.

(De collectant vertrekt snel)
 
Verteller:  Terwijl de collectant weggaat om Achmed en Zaraah te halen gaat het er bij de familie Gul gezellig aan toe, ze hebben genoeg aan een kerststol en wat thee en melk en koffie, meer hebben ze niet nodig om het gezellig te maken, ze hebben immers elkaar. Ze gaan door met praten terwijl de collectant met Achmed en Zaraah onderweg is naar de familie Gul. Achmed twijfelt of ze wel moeten gaan, Zaraah denkt dat ze beter gewoon terug kunnen gaan naar eigen land omdat de mensen hard van hart zijn geworden, maar de collectant sleept hen gewoon mee, ze wil hen laten zien dat het ook anders kan. Wanneer ze voor de deur staan van het huis van de familie Gul aarzelt de collectant nog even, maar dan drukt hij demonstratief op de bel….. 
 
Liesje en Sanne: (rennen naar de deur, doen open en roepen)
Hallo, kom binnen en voel u welkom…..
 
Achmed en Zaraah: (kijken verrast, zijn verbaasd over zoveel vrolijkheid en gastvrijheid ze lopen samen met de collectant naar binnen)
 
Man:         Zien jullie nu wel, jullie zijn welkom, het valt heel erg mee, de mensen in dit land zijn best vriendelijk en zelfs gul, kijk maar eens hoe gastvrij deze mensen zijn.
 
Achmed:   Ja ikke zien, ikke ben blij
 
Zaraah:     Ikke ben verrast, dit had ikke niet verwacht, waarom doen jullie dit, jullie kent ons niet.
 
Pa Gul:     Wij houden van mensen en geven graag een beetje van ons eigen geluk aan een ander.
 
Ma Gul:     Ja we hebben weinig geld, geen dure dingen, maar we kunnen wel de liefde die we hebben delen. We hebben zelf immers ook heel veel liefde gekregen, liefde van God die Zijn enige zoon stuurde om ons en jullie te redden.
 
Liesje:      Kerst is een feest van vrede, redding, van het kindje in de kribbe, voor Hem was nergens plaats, alleen in een stal….
 
Sanne:      En nu heeft dat kindje een plek in ons hart, daar woont Hij en dat willen we laten zien. Kom dan gaan we eten. Vader snij jij het brood.
 
Pa Gul:     (Snijdt het brood en deelt uit. De kinderen schenken drinken in en ze zitten samen aan tafel.)
 
Verteller: En zo wordt het toch een fijn kerstfeest voor Achmed en Zaraah, ze voelen zich welkom in het eenvoudige huishouden van de familie Gul en ze zijn verrast door de gastvrijheid. Ze luisteren naar het verhaal over het kind in de kribbe, over vrede op aarde, ze voelen het zelfs en het maakt indruk…. Ze genieten van het samenzijn, ze worden blij van de warmte en liefde die merkbaar is en ze maken kennis met nog veel meer, want het blijft niet alleen bij die ene dag, ook daarna zijn ze welkom, ze mogen zelfs blijven slapen tot ze een plek gevonden hebben en alles geregeld hebben voor hun verblijf in het land, ze worden er zelfs bij geholpen door een familie met het hart op de goede plek, een hart gevuld met de liefde en vrede van God.