advertentie google

Een vertelling bij Lucas 2

24 december 's ochtends. David liep door de koude grijze stad. Hij had al weer genoeg van de crisisopvang waar hij sinds een week weer verbleef. Of eigenlijk niet van de crisisopvang, maar van de zoveelste crisis waardoor hij daar beland was. Een jaar geleden was hij vastbesloten dat deze kerstmis anders zou worden. Toen hij een jaar geleden met zijn maatjes high was geworden, had hij daar grapjes over gemaakt. 'Ere zij God in de hoge, en ik ben ook high.' Maar toen hij de grap aan zijn maatje nog moest uitleggen - 'in de hoge', 'high' is Engels voor hoog - en zijn maatje vervolgens doodserieus vroeg of de engelen dan Engels gesproken hadden, vond hij het zelf helemaal niet meer grappig, en besloot hij dat hij de volgende kerstmis er anders voor zou staan. 'Ik wil dat het volgend jaar anders is,' was zijn grote voornemen voor het komende jaar. Een paar keer in de loop van het jaar had David eraan gedacht, maar tegelijk gedacht dat het jaar nog lang was. Anders kon altijd nog. Nu was het jaar bijna om, hij zat weer in de crisisopvang en het jaar was er niet echt anders geworden. En veel kans was er niet meer. David liep langs de kerk en zonder na te denken probeerde hij de deur. Die was niet op slot. Hij glipte naar binnen. Daar waren een paar mensen bezig om stoelen klaar te zetten. Waarschijnlijk voor de kerstnachtdienst, dacht hij. Hij bleef eerst onopgemerkt staan. Ineens hoorde hij naast zich een stem. 'Wat kan ik voor je doen?' David schrok. Hij mompelde, 'Niks. Ik had het alleen maar koud,' en draaide zich al om om weer te gaan. 'Help dan maar mee met stoelen klaar zetten. Daar krijg je het warm van.' David draaide terug en zei, 'Oké. Wat moet ik doen?' 'Laten wij met je naam beginnen. Ik ben Anne. Ik ben hier koster. En jij?' 'Ik ben David.' 'Mooi. David, als jij die stoelen daarachter hier neer zet en uitklapt, dan zet ik ze straks in rechte rijen.' David liep al, maar vroeg zich af of de koster dacht dat David niet in staat zou zijn om de stoelen in rechte rijen te zetten. Er waren in zijn leven meer dan genoeg momenten geweest dat hij zelf niet in een rechte lijn kon lopen. Maar nu was hij wel goed bij zijn hoofd. Hij zou de koster laten opkijken. Een tijd later kwam Anne kijken. 'Mooie rijen, David. Ik hoef hier, geloof ik, niets meer aan te doen. Je krijgt nu je beloning. Wij gaan koffiedrinken.' Anne stelde David voor aan de anderen, vrijwilligers. 'Mensen, dit is de nieuwe hulpkoster, David. Hij maakt de rechtste rijen die ik ooit gezien heb.' David voelde zich een beetje bekeken in zijn oude spijkerbroek, maar al gauw gingen de kerstkransjes rond en raakte men in gesprek over alles en nog wat. David verwonderde zich dat niemand vroeg waar hij vandaan kwam of wat hij hier deed, maar hij vond het ook wel prettig, want hij wist al te goed waar hij vandaan kwam en hij wist juist niet wat hij hier deed. Hij hield zijn mond en luisterde. Toen draaide Anne naar hem toe en zei, 'De dienst begint om elf uur vanavond. Dan zie ik je terug, neem ik aan.' 'Dat weet ik niet,' zei David. 'Heb je andere plannen?' vroeg Anne. 'Nee', zei David. 'Nou, dan kom je toch.' David wist niet wat hij moest zeggen. Dus vroeg hij, 'Moet dat?' 'Ja,' zei een van de vrijwilligers, 'dat is de vaste voorwaarde van Anne. Als je wilt meehelpen met stoelen klaar zetten, dan moet je ook van de kerstnachtdienst komen genieten.' 'Moet je per se op een van de stoelen zitten die je zelf heb neergezet?' vroeg een ander. 'Juist niet', zei Anne, 'want vanavond zijn jullie eregasten.' Ze gingen de rest van de stoelen klaar zetten. David zette zijn rijen neer en toen niemand oplette, glipte hij weer naar buiten. Dat woord 'moeten' zat hem dwars. Hij hield niet van 'moeten', al vond hij het een ander soort moeten dan hij gewend was. Eregast was hij nog nooit in zijn leven geweest. Hij moest er ook niet aan denken. Om tien uur 's avonds waren de kerstactiviteiten in de crisisopvang voorbij. David ging naar zijn kamer. Hij was bang dat als hij naar buiten ging dat hij dan toch naar de kerstnachtdienst getrokken zou worden. Zijn kamer was net zo klein als de kerk die ochtend groot was geweest. Na tien minuten trok hij toch zijn jas aan en stond hij ineens weer op straat. Eerst liep hij in tegenovergestelde richting van de kerk, maar met een grote boog belandde hij om half elf voor de deur van de kerk. Hij liep voorbij. Nog bijna een half uur cirkelde hij om de kerk, een straatje verder die kant op, twee straten verder de andere kant op, maar telkens kwam hij weer langs de kerk. Om één minuut voor elf stapte hij de kerk binnen. De kerk zat overvol met mensen en kaarsen en muziek. Hij bleef stijf staan. Ineens greep iemand zijn arm. Het was Anne. 'Je heb geluk dat er überhaupt nog een stoel over is. Kom mee.' zei Anne. Anne leidde David tot helemaal vooraan. Daar op de eerste rij was er inderdaad nog één stoel vrij. Daar zette Anne David neer, die niet in staat was om te protesteren. David keek naar de mensen in hun gladde kerstkleding en keek naar zijn oude spijkerbroek en de kapotte mouw aan zijn jas. Nog nooit heeft een eregast zich zo opgelaten gevoeld als ik nu, dacht David. De muziek, de liederen, de lezingen rolden als golven over David heen. Hij werd er duizelig van. In de preek werd iets gezegd over herders als uitschot van de maatschappij. 'Dat ben ik,' dacht David bijna hardop. Zijn buurvrouw keek even naar hem om. Denkt zij dat ook, vroeg David zich af, of heb ik het misschien toch hardop gezegd. David was niet gewend om zo lang stil te zitten. De stoelen vond hij ook niet zo geweldig, maar ze waren wel zachter dan menig stoeprand of parkbank waar hij wel eens gezeten had. Eindelijk was de dienst voorbij. Hij dacht de kerk ongemerkt te kunnen verlaten, maar één van de vrijwilligers groette hem, zei dat het fijn was dat hij gekomen was en dat hij nog even kon blijven nahelpen en dat er dan nog Glühwein en kerstbrood was voor de vrijwilligers. 'Is er ook warme chocola?' vroeg David en liep meteen rood aan dat hij zo een vraag stelde. 'Waarschijnlijk wel,' zei de vrijwilliger. 'Kom, wij gaan die stoelen alvast weg zetten.' Ze hadden nog twintig minuten gewerkt voordat Anne kwam zeggen dat het zo genoeg was, dat ze wat gingen drinken en dan naar huis. 'Morgenochtend is er ook een dienst.' 'Heb je ook warme chocola?' vroeg de vrijwilliger voor David. 'Ik doe wat in de magnetron. Is dat ook goed? Slagroom heb ik niet.' Ze dronken wat en aten kerstbrood. Anne vroeg, 'David, wat vond je van de kerstnachtdienst? Kon je het op de eerste rij allemaal goed zien?' David liep rood aan. Toen vroeg hij, 'Denk je dat het leven van de herders anders was na de kerstnacht.' Ze keken elkaar aan. 'Vast,' zei Anne, 'maar de engelen gaven geen oplossingen cadeau. Ze wezen de herders alleen maar de weg. Kerstmis is, denk ik, vooral een stap in de goede richting.' 'Ja,' zei één van de anderen, 'maar gaat het om de wegwijzer of om de bestemming.' 'Of dat je zelf de weg gaat!' zei een derde. 'Dat moet ook gebeuren maar het geschenk van kerstmis is dat iemand de weg wijst!' werd er aan toegevoegd. Deze plotselinge discussie vond David uitermate irritant. Haarkloverij. Hij kon zich niet inhouden. 'Als je heel lang op een doodlopende weg gezeten heb, dan ben je gewoon blij dat er een andere weg is, dat het misschien toch anderskan.' In de stilte die volgde schrok David van zijn eigen heftigheid. 'Ja,'dat lijkt me ook,' zei Anne. 'En nu gaat de weg naar huis. Morgen is er weer een dag. En wie weet, misschien een dag die anders is dan anders. Eigenlijk is het al morgen.' Alle eregasten werden bedankt. Buiten wensten zij elkaar een gezegend kerstfeest. David liep richting crisisopvang, maar de richting was anders.